Het Nederlandse pensioenstelsel is beter georganiseerd dan in veel ons omringende landen en zit solide in elkaar. Maar door veranderingen op de arbeidsmarkt, de stijgende levensverwachting, de financiële crisis en de lage rente is een vernieuwing van het pensioenstelsel noodzakelijk geworden. Het kabinet Rutte III wil dat voor 2020 hebben gerealiseerd.

Op deze pagina

het Nederlandse pensioenstelsel

Nederland heeft een uitgebreid pensioenstelsel dat bestaat uit drie pijlers:

basispensioen via de overheid (1e pijler)

De AOW-uitkering (Algemene ouderdomswet) vormt het basisinkomen waarmee gepensioneerden in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Iedereen die in Nederland woont of werkt, bouwt in principe automatisch AOW op.

Let op: de leeftijd waarop men voor het eerst een AOW-uitkering krijgt (AOW-leeftijd) en de richtleeftijd waarop men voor het eerst aanvullend pensioen krijgt (pensioenrichtleeftijd) lopen uiteen. Op 1 januari 2019 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 4 maanden en de pensioenrichtleeftijd 68 jaar.

aanvullend pensioen via de werkgever (2e pijler)

Voor 90% van de werknemers is een aanvullende pensioenregeling getroffen door hun werkgever. Hierdoor krijgen werknemers die de pensioenleeftijd hebben bereikt een aanvullende uitkering bovenop de AOW-uitkering.

individuele aanvullende pensioenvoorzieningen (3e pijler)

Via individuele verzekeringen en privévoorzieningen (zoals lijfrente, banksparen, koopsommen en levensverzekeringen) bestaat er enige ruimte om fiscaal aantrekkelijk te sparen voor extra pensioen. Bijvoorbeeld om hun pensioengat aan te vullen of om eerder met pensioen te gaan. Deze fiscale mogelijkheden zijn de laatste jaren wel sterk ingeperkt. Zelfstandigen moeten zelf voor hun pensioenvoorziening zorgen en kunnen daarvoor individuele verzekeringen of bankspaarproducten gebruiken.

wijziging pensioenstelsel

Het kabinet wil het pensioenstelsel ingrijpend vernieuwen. In principe laat het kabinet aan de sociale partners over welke veranderingen er tot stand komen. Wel heeft het kabinet daarbij enkele belangrijke speerpunten, zoals de afschaffing van de zogenaamde ‘doorsneepremie’ waarbij jongere deelnemers voor oudere deelnemers meebetalen. Na het mislukken van het pensioenakkoord in november 2018 is het de vraag of sociale partners in 2019 alsnog tot afspraken kunnen komen. Als dat niet het geval is, zal het kabinet eventueel zelf wetgeving vaststellen om de gewenste veranderingen in het pensioenstelsel tot stand te brengen.