Het Nederlandse pensioenstelsel is beter georganiseerd dan in veel ons omringende landen en zit solide in elkaar. Maar door veranderingen op de arbeidsmarkt, de stijgende levensverwachting, de financiële crisis en de lage rente is een vernieuwing van het pensioenstelsel noodzakelijk geworden. 

In het pensioenakkoord staan afspraken over het pensioen van huidige en toekomstige generaties. Ook zijn er afspraken gemaakt die ervoor moeten zorgen dat zoveel mogelijk mensen gezond en werkend hun pensioenleeftijd kunnen bereiken.

Op deze pagina

het Nederlandse pensioenstelsel

Nederland heeft een uitgebreid pensioenstelsel dat bestaat uit drie pijlers:

basispensioen via de overheid (1e pijler)

De AOW-uitkering (Algemene ouderdomswet) vormt het basisinkomen waarmee gepensioneerden in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Iedereen die in Nederland woont of werkt, bouwt in principe automatisch AOW op.

let op: de leeftijd waarop men voor het eerst een AOW-uitkering krijgt (AOW-leeftijd) en de richtleeftijd waarop men voor het eerst aanvullend pensioen krijgt (pensioenrichtleeftijd, lopen uiteen. Op 1 januari 2021 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 4 maanden en de pensioenrichtleeftijd 68 jaar.

aanvullend pensioen via de werkgever (2e pijler)

Voor bijna 90% van de werknemers is een aanvullende pensioenregeling getroffen door hun werkgever. Hierdoor krijgen werknemers die de pensioenleeftijd hebben bereikt een aanvullende uitkering bovenop de AOW-uitkering.

individuele aanvullende pensioenvoorzieningen (3e pijler)

Via individuele verzekeringen en privévoorzieningen (zoals lijfrente, banksparen, koopsommen en levensverzekeringen) bestaat er enige ruimte om fiscaal aantrekkelijk te sparen voor extra pensioen. Bijvoorbeeld om hun pensioengat aan te vullen of om eerder met pensioen te gaan. Deze fiscale mogelijkheden zijn de laatste jaren wel sterk ingeperkt. Zelfstandigen moeten zelf voor hun pensioenvoorziening zorgen en kunnen daarvoor individuele verzekeringen of bankspaarproducten gebruiken.

pensioenakkoord: wijziging pensioenstelsel

Het kabinet heeft  een akkoord bereikt met werkgevers- en werknemersorganisaties voor een ‘toekomstbestendig en evenwichtig pensioenstelsel’. Met dit akkoord wordt de Nederlandse oudedagsvoorziening gemoderniseerd, stijgt de AOW-leeftijd minder snel en komt er ruimte om eerder te stoppen met werken.

De speerpunten zijn:

  • de AOW-leeftijd stijgt minder snel

  • er komt een nieuwe manier van premieheffing

  • de hoogte van het pensioen wordt minder zeker en sneller aangepast aan de economische situatie 

  • mensen krijgen meer flexibiliteit bij het opnemen van hun pensioen

  • er komt 800 miljoen euro voor duurzame inzetbaarheid en scholing

  • vroegpensioen voor zware beroepen wordt mogelijk

  • er komt een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers

De vertraagde stijging van de AOW-leeftijd is per 1 januari 2020 ingegaan.

Voor de andere onderdelen moet de Pensioenwet aangepast worden.  Het gaat daarbij om de modernisering van de Nederlandse oudedagsvoorziening, ruimte om eerder te stoppen met werken en duurzame inzetbaarheid. 

Deze nieuwe pensioenwet treedt een jaar later dan verwacht in werking: op uiterlijk 1 januari 2023. 

 

Daarna komt er komt er een overgangsperiode tot uiterlijk 1 januari 2027. In deze periode hebben werkgevers en werknemers de tijd om in cao-verband afspraken te maken over de aanpassing van de pensioenregeling. Als er geen cao van toepassing is, zullen werkgevers dit met de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging moeten afspreken. Daarnaast zijn werkgevers en werknemers verplicht om een transitieplan op te stellen, waarin wordt vastgelegd hoe de pensioenregeling wijzigt en welke stappen er vervolgens moeten worden ondernomen. Daarna zullen de uitvoerders van pensioenregelingen aan de hand van een implementatieplan de wijzigingen in de pensioenregelingen gaan doorvoeren. Uiterlijk per 1 januari 2027 moeten alle aanpassingen zijn doorgevoerd.

wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Enkele maatregelen voor duurzame inzetbaarheid en vervroegd pensioen zijn opgenomen in de nieuwe Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Deze maatregelen moeten in 2021 en 2022 in werking treden. Het gaat daarbij om:

  • een versoepeling van de RVU-heffing: van 2021 tot en met 2025 krijgen werkgevers een vrijstelling van de heffing over regelingen voor vervroegde uittreding (RVU-heffing). Hierdoor kun je een vervroegd vertrek van een medewerker mogelijk maken. De vrijstelling geldt tot een bedrag dat netto overeenkomt met de AOW. Voorwaarde is dat uittreding plaatsvindt in de laatste drie jaar vóór de AOW-leeftijd. Medewerkers krijgen dan als het ware eerder AOW, betaald door hun werkgever. Zij kunnen dit zelf aanvullen, bijvoorbeeld met spaargeld of door hun aanvullend pensioen eerder in te laten gaan. Kijk voor alle voorwaarden in de Nieuwsbrief Loonheffingen 2021 (uitgave 2, 27 januari 2021) van de Belastingdienst.

  • verruiming verlofsparen: per 1 januari 2021 is het aantal weken belastingvrij verlofsparen verdubbeld van vijftig naar honderd weken. Je medewerkers krijgen zo meer mogelijkheden om eerder te stoppen met werken of tussentijds langere periodes niet te werken. 

  • bedrag ineens: per 1 januari 2023 kunnen je medewerkers op hun pensioeningangsdatum maximaal 10% van de waarde van hun opgebouwde ouderdomspensioen in één keer opnemen. De resterende pensioenuitkering gaat dan naar evenredigheid omlaag.

Meer informatie staat op Rijksoverheid.nl.