Uitzendkrachten hebben recht op pensioen. In de CAO voor Uitzendkrachten is vastgelegd hoe de pensioenregeling van uitzendkrachten is geregeld.

Op deze pagina

pensioenregeling

Uitzendkrachten van 21 jaar en ouder die in meer dan 26 weken werkzaam zijn, nemen verplicht deel aan de pensioenregeling voor uitzendkrachten. Deze pensioenregeling wordt uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP).
Randstad heeft een eigen pensioenfonds, dat uitsluitend voor de uitzendkrachten van de Nederlandse onderdelen van de Randstad Groep een identieke pensioenregeling uitvoert: het Flexsecurity pensioen.

voorwaarden deelname aan pensioen

Uitzendkrachten nemen deel aan de pensioenregeling op basis van een wekentelling:

  • in de eerste 26 gewerkte weken (de ‘wachttijd’) bouwt de uitzendkracht geen pensioen op

  • vanaf 27 gewerkte weken tot 78 gewerkte weken bouwt de uitzendkracht pensioen op in de basisregeling

  • vanaf 78 gewerkte weken bouwt de uitzendkracht pensioen op in de plusregeling

Bovendien geldt de referte-eis: de uitzendkracht moet 21 jaar of ouder zijn én in 26 weken voor hetzelfde uitzendbureau hebben gewerkt. Alleen de gewerkte weken tellen mee. Vanaf het moment dat de uitzendkracht voldoet aan de referte-eis, wordt hij verplicht opgenomen in de basisregeling.

praktijkvoorbeeld

Werkt iemand in week 1 van 2021 en in week 26 van 2021, dan voldoet hij niet aan de referte-eis. Hij heeft immers pas twee weken gewerkt. Voor de telling van de referteperiode wordt een onderbrekingstermijn van een jaar gehanteerd. Een uitzendkracht kan er in theorie dus jaren over doen om aan de referte-eis te voldoen. Dit staat in de CAO voor Uitzendkrachten.

basisregeling pensioen

De pensioenleeftijd in de basisregeling en in de plusregeling is 67 jaar. De uitzendkracht betaalt zelf geen premie voor het basispensioen. Het uitzendbureau neemt deze premie geheel voor zijn rekening (2,6% over een uurloon van maximaal € 31,15). De pensioengrondslag wordt berekend door het bruto-uurloon van de uitzendkracht te verminderen met de uurfranchise in 2021: € 7,01. Het brutoloon is het loon over de normaal gewerkte uren plus het loon over de onregelmatige uren, de vakantiedagen, bijzonder verlof, kort verzuim en feestdagen en de vakantiebijslag.

De uitzendkracht neemt na 26 gewerkte weken deel in de basisregeling gedurende maximaal 52 weken. Vanaf 78 gewerkte weken wordt hij deelnemer in de plusregeling.

Als een uitzendkracht voor een ander uitzendbureau gaat werken en aan de referte-eis voor het basispensioen heeft voldaan, blijft hij ook bij zijn nieuwe uitzendbureau deelnemer in de basisregeling. Dit op voorwaarde dat er geen sprake is van een onderbreking tussen de uitzendovereenkomsten van 52 weken of langer. Duurt de onderbreking 52 weken of langer, dan moet de uitzendkracht eerst opnieuw aan de referte-eis voldoen.

plusregeling pensioen

De hoogte van de voor de uitzendkracht beschikbaar te stellen premie is afhankelijk van zijn leeftijd. De doorsneepremie (die door werknemers en de werkgever gezamenlijk betaald wordt) is voor alle deelnemers wel hetzelfde en bedraagt bij StiPP in 2021 12% van de pensioengrondslag. De werkgever betaalt 8%, de werknemer 4%.

De pensioengrondslag wordt berekend door het bruto-uurloon van de uitzendkracht te verminderen met de uurfranchise in 2021: € 7,01. Het brutoloon is het loon over de normaal gewerkte uren plus het loon over de onregelmatige uren, de vakantiedagen, bijzonder verlof, kort verzuim en feestdagen en de vakantiebijslag.

De uitzendkracht die al heeft deelgenomen aan de plusregeling en die zonder een onderbreking van 26 weken of langer van uitzendbureau verandert, blijft deelnemer aan de plusregeling, ook als hij bij een ander uitzendbureau weer werkzaam is in fase A. Na een onderbreking van minimaal 26 weken tot maximaal 52 weken wordt de uitzendkracht vanaf de eerste week van werken weer deelnemer aan de basisregeling. Is de onderbreking langer dan 52 weken, dan moet er opnieuw worden voldaan aan de referte-eis.

In de plusregeling is de uitzendkracht, naast zijn pensioenopbouw, gedurende zijn dienstverband automatisch verzekerd voor een nabestaandenvoorziening en voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid.

aparte pensioenregeling voor payrollmedewerkers

Met ingang van 1 januari 2021 vallen payrollmedewerkers niet langer onder de verplichtstelling van de pensioenregeling voor uitzendkrachten. Vanaf deze datum is er een wettelijk verplichte pensioenregeling voor payrollwerknemers van toepassing. De wet schrijft voor dat een payrollmedewerker in principe recht heeft op deelname aan dezelfde pensioenregeling als het vaste personeel in dienst van de opdrachtgever. Als aansluiting bij deze pensioenregeling van de opdrachtgever niet mogelijk is, moet de payrollwerkgever zelf een pensioenregeling aanbieden die aan een aantal minimale voorwaarden moet voldoen. De belangrijkste voorwaarde is dat de hoogte van de door de werkgever te betalen premie voor de pensioenregeling gelijk moet zijn aan de gemiddelde werkgeversbijdrage in Nederland. In 2021 bedraagt deze 14,5% van de pensioengrondslag.

Omdat payrollmedewerkers niet langer onder de verplichtstelling van StiPP vallen, voert StiPP deze pensioenregeling niet uit. De payrollwerkgever moet dus zelf bepalen of hij voor de pensioenregeling aansluit bij het pensioenfonds van zijn opdrachtgever(s) of dat hij zelf een pensioenregeling afsluit bij een verzekeraar of een PPI.