waarom het pensioenstelsel verandert

Het huidige pensioenstelsel sluit steeds minder goed aan op de arbeidsmarkt van nu. Mensen wisselen vaker van baan, werken flexibeler en bouwen niet altijd hun hele loopbaan pensioen op bij één werkgever. Daarnaast leidde het oude stelsel tot onduidelijkheid over de hoogte van toekomstige pensioenen.

Sinds 1 juli 2023 gelden nieuwe pensioenregels door de komst van de Wet toekomst pensioenen. Met de Wet toekomst pensioenen wil de wetgever zorgen voor een transparanter en persoonlijker pensioenstelsel, waarin duidelijker is wat er wordt ingelegd en hoe het pensioen zich ontwikkelt.

> lees hier meer over het nieuwe pensioenstelsel

De Wet toekomst pensioenen brengt ingrijpende wijzigingen met zich mee voor de manier waarop pensioen wordt opgebouwd en uitgevoerd. De belangrijkste veranderingen zijn:

  • pensioenopbouw vindt plaats in premieregelingen

  • middelloon- en eindloonregelingen zijn niet meer toegestaan voor nieuwe pensioenopbouw

  • de pensioenopbouw is gebaseerd op de premie die werknemers en werkgevers samen inleggen

  • het premiepercentage is voor alle leeftijden gelijk

  • iedere deelnemer krijgt een persoonlijk pensioenvermogen

  • pensioenen bewegen sneller mee met economische ontwikkelingen

  • toetredingsleeftijd voor pensioenopbouw is verlaagd van 21 naar 18 jaar

  • het partnerpensioen wordt eenvoudiger ingericht

  • het wezenpensioen kent een uniforme eindleeftijd.

Deze veranderingen gelden, met uitzondering van de toetredingsleeftijd, niet meteen voor alle pensioenregelingen. Er is een overgangsperiode afgesproken waarin bestaande regelingen worden aangepast aan het nieuwe stelsel.

De Wet toekomst pensioenen gaat over aanvullend pensioen. De AOW is een aparte wettelijke regeling. 

wat betekent de wtp voor werkgevers?

Wat je als werkgever moet doen, hangt af van hoe de pensioenregeling is ingericht. Val je onder een verplicht bedrijfstakpensioenfonds, dan maken sociale partners de afspraken over de nieuwe regeling. Jij volgt dit proces en zorgt voor tijdige en duidelijke communicatie richting je medewerkers.

Heb je de pensioenregeling ondergebracht bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling, dan moet je zelf keuzes maken. Denk aan het aanpassen van de regeling, het vastleggen van afspraken en het informeren van medewerkers over de gevolgen.

In alle gevallen geldt dat je medewerkers goed moet meenemen in wat er verandert, wanneer dat gebeurt en wat dit voor hun pensioen betekent.

> lees hier meer over pensioenregeling

overgangsperiode naar wtp tot 2028

De Wet toekomst pensioenen kent een overgangsperiode. Uiterlijk op 1 januari 2028 moeten alle pensioenregelingen zijn aangepast aan de nieuwe regels.

Tijdens deze transitieperiode worden bestaande pensioenregelingen omgezet naar het nieuwe stelsel. Voor werkgevers betekent dit dat er afspraken worden gemaakt over de nieuwe pensioenregeling, samen met sociale partners of in overleg met medewerkers en de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging. Daarnaast moet je medewerkers tijdig en duidelijk informeren over wat er verandert en wat dit voor hun pensioen betekent. Is de pensioenregeling ondergebracht bij een pensioenfonds, dan ligt de uitwerking vooral bij sociale partners en het fonds. Werk je met een verzekeraar of premiepensioeninstelling, dan ben je zelf verantwoordelijk voor het opstellen van een transitieplan. De verzekeraar of PPI zal daar wel een model voor aanreiken, maar het is verstandig om met een adviseur de eigen situatie en gewenste maatregelen te beoordelen.

In het transitieplan staat onder andere hoe de pensioenregeling verandert, of opgebouwde pensioenen worden omgezet en wat de gevolgen zijn voor verschillende groepen medewerkers.

> lees hier meer over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel

mogelijkheid een deel pensioenbedrag ineens op te nemen

Enkele maatregelen voor duurzame inzetbaarheid en vervroegd pensioen zijn opgenomen in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. In deze wet is de afspraak opgenomen om het voor pensioendeelnemers mogelijk te maken om een  deel van hun opgebouwde ouderdomspensioen in één keer op te nemen: het ‘pensioenbedrag ineens’. Dit onderdeel is vanwege uitvoeringstechnische problemen meerdere keren uitgesteld en uiteindelijk opgenomen in een nieuw wetsvoorstel: de Wet herziening bedrag ineens. Als deze wet wordt ingevoerd, gelden de volgende basisregels:

  • de deelnemer mag op de pensioendatum maximaal 10% van zijn pensioen in één keer opnemen. Een kleiner deel, bijvoorbeeld 5%, mag ook

  • de mogelijkheid voor een bedrag ineens bestaat alleen voor het eigen ouderdomspensioen. De partner of kinderen kunnen dus geen bedrag ineens opnemen als de pensioendeelnemer onverwacht overlijdt

  • het bedrag is vrij te besteden, bijvoorbeeld aan een hypotheek, verbouwing, reis of extra zorg

  • na afkoop van 10% moet het pensioen minimaal € 613,52 bruto per jaar bedragen (2025)

  • het bedrag ineens is niet te combineren met de keuze voor een hoog-laag constructie (de eerste jaren van het pensioen een hogere uitkering en de jaren erna een lagere)

  • als de opname van een bedrag leidt tot een verlaging van het partnerpensioen als de pensioendeelnemer overlijdt, moet de partner ermee instemmen

  • pensioenuitvoerders mogen het pensioenbedrag ineens alleen uitkeren op de ingangsdatum van het pensioen óf in de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin de pensioendeelnemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens is op 8 oktober 2024 door de Tweede Kamer goedgekeurd en ligt bij de Eerste Kamer. Naar verwachting wordt het pensioenbedrag ineens niet eerder dan in 2027 mogelijk, maar een verder uitstel wordt niet uitgesloten..

> lees hier meer over het kabinetsplan voor een pensioenbedrag ineens

Naast veranderingen in het pensioenstelsel zijn er maatregelen die het eerder stoppen met werken mogelijk maken. Zo is een versoepeling van de regeling voor vervroegde uittreding (RVU) opgenomen. Werkgevers kunnen onder voorwaarden gebruikmaken van een vrijstelling van de RVU-heffing om medewerkers maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd te laten stoppen met werken. De versoepelde RVU-regeling geldt per 1 januari 2026.

verlofsparen

Daarnaast kunnen werkgevers en medewerkers gebruikmaken van verlofsparen om eerder of tijdelijk minder te werken. Deze regelingen staan los van de pensioenregeling, maar spelen vaak een rol bij duurzame inzetbaarheid.