Als werkgever ben je niet altijd verplicht om je medewerkers een pensioenregeling (aanvullend pensioen) aan te bieden. Die verplichting geldt wél als je onder een cao valt waarin pensioen is geregeld, of als je onder de werkingssfeer valt van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). Ook afspraken in de arbeidsovereenkomst of personeelshandboeken kunnen betekenen dat je je personeel een pensioenregeling moet aanbieden.

verplichtstelling

Controleer altijd of jouw onderneming onder een cao of verplichtstellingsbeschikking valt, want als je ten onrechte geen pensioenregeling aanbiedt terwijl dat wel verplicht is, kan het pensioenfonds met terugwerkende kracht premie vorderen.

> lees hier meer over cao en arbeidsvoorwaarden

Pensioen regelen voor werknemers betekent dat je met je medewerkers afspraken maakt over de pensioenuitvoerder, de manier waarop pensioen wordt opgebouwd en de verdeling van de premie tussen jou en je medewerker. Het aanvullend pensioen is het pensioen dat medewerkers via hun werkgever opbouwen, naast de AOW. De AOW is een wettelijke basisvoorziening van de overheid en geen onderdeel van de pensioenregeling. 

informatieplicht

Je bent er als werkgever niet alleen verantwoordelijk voor dat je medewerkers kunnen aansluiten bij een passende pensioenregeling, maar je moet ook zorgen voor duidelijke informatie. Je medewerkers moeten weten hoeveel pensioen zij opbouwen, wat zij ongeveer kunnen verwachten en welke keuzes en risico’s daarbij horen. Medewerkers ontvangen hiervoor onder andere een Uniform Pensioenoverzicht (UPO) van de pensioenuitvoerder en kunnen hun totale pensioen, inclusief AOW, bekijken op mijnpensioenoverzicht.nl.

In veel sectoren is pensioen collectief geregeld via de cao. Val je onder zo’n cao, dan ben je meestal verplicht deel te nemen aan het aangewezen pensioenfonds of de aangewezen pensioenregeling. De afspraken over pensioen worden dan gemaakt door werkgeversorganisaties en vakbonden, en gelden voor alle werkgevers en werknemers binnen de werkingssfeer. De werkgevers en vakbonden kunnen via een verplichtstelling de deelname aan de pensioenregeling dwingend opleggen aan alle werkgevers en werknemers in de sector, ook als de werkgever niet aangesloten is bij een werkgeversorganisatie.

> lees hier meer over de collectieve arbeidsovereenkomst (cao)

zelf afspreken en vastleggen

Ben je niet gebonden aan een cao en val je ook niet onder een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds, dan maak je zelf afspraken over de pensioenregeling met je medewerkers en, als die er is, de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging. Leg die afspraken altijd duidelijk vast in de arbeidsovereenkomst en/of het personeelshandboek.

> lees hier meer over vastleggen afspraken in de arbeidsovereenkomst

Het aanvullend pensioen (de pensioenregeling) wordt betaald uit bijdragen van zowel jou als werkgever als je medewerker. Hoe de verdeling precies uitpakt, verschilt per regeling en kan worden vastgelegd in de cao, een pensioenreglement of de arbeidsvoorwaarden.

hoogte pensioenpremie

De hoogte van de premie hangt onder andere af van de gekozen pensioenregeling, de pensioengrondslag (bijvoorbeeld salaris minus AOW-franchise) en de afspraken met de pensioenuitvoerder. Onder de Wet toekomst pensioenen worden premieregelingen de norm en werken werkgevers veelal met een vaste (vlakke) premie als percentage van de pensioengrondslag. Pensioenkosten maken onderdeel uit van je totale werkgeverslasten.

> lees meer over loonheffingen

De Wet toekomst pensioenen zorgt voor een nieuw pensioenstelsel waarin pensioenregelingen flexibeler worden en meer meebewegen met de economie, en waarin de nadruk ligt op premieregelingen met persoonlijkere en transparantere communicatie. Er is een transitieperiode tot uiterlijk 1 januari 2028 om bestaande regelingen aan te passen. 

transitieplan

Voor jou als werkgever betekent dit dat je samen met de pensioenuitvoerder en, waar nodig op basis van de regels voor medezeggenschap, samen met je medewerkers (ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging) afspraken moet maken over de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, die vastgelegd worden in  een transitieplan. Juist in deze fase is heldere communicatie met je medewerkers extra belangrijk.

Als het over pensioen gaat, kom je veel termen tegen. Hieronder lichten we de belangrijkste begrippen kort toe.

pensioenvormen

In pensioenregelingen komen verschillende pensioenvormen voor, zoals ouderdomspensioen, partnerpensioen, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen. De gekozen pensioenvormen bepalen welke uitkeringen worden gedaan bij pensionering, overlijden of arbeidsongeschiktheid.

flexibel pensioen

Flexibel pensioen betekent dat een medewerker keuzes kan maken over eerder of later stoppen met werken of (deels) met pensioen gaan, binnen de grenzen van de fiscale en wettelijke regels. Of dit mogelijk is, hangt af van de pensioenregeling, de uitvoerder en de beschikbare keuzemogelijkheden zoals hoog-laagpensioen of deeltijdpensioen.

Met de Regeling Vervroegde Uittreding (RVU)-regeling kan een medewerker in sommige gevallen tot maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd een uitkering van de werkgever ontvangen. Over dit bedrag betaal je als werkgever geen (RVU-heffing), zolang de uitkering binnen de wettelijke RVU‑drempelvrijstelling blijft; over hogere bedragen geldt wel een extra heffing. De RVU is geen onderdeel van de pensioenregeling, maar wordt vaak gebruikt in combinatie met een eerder ingaand ouderdomspensioen.

pensioengat

Van een pensioengat is sprake als iemand na het bereiken van de AOW-leeftijd onvoldoende pensioen heeft opgebouwd om van te leven. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan door minder werken, een periode zonder pensioenregeling, scheiding, wisseling van baan zonder pensioen of eerder stoppen met werken. De hoogte van de AOW speelt hierbij ook een rol. AOW staat los van de pensioenregeling en kent eigen regels, bijvoorbeeld over verzekerde jaren en doorwerken na de AOW-leeftijd. Een AOW-uitkering kan niet vervroegd worden.

pensioenbreuk

Een pensioenbreuk ontstaat wanneer de pensioenopbouw tijdelijk stopt of lager wordt, bijvoorbeeld bij het wisselen van baan, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of een periode als zelfstandige zonder pensioenregeling. Een pensioenbreuk kan leiden tot een pensioengat als er niet op andere manieren aanvullend wordt gespaard.

waardeoverdracht

Bij waardeoverdracht kan een medewerker eerder opgebouwd pensioen meenemen naar de pensioenuitvoerder van een nieuwe werkgever. Dit kan voordelen hebben, zoals overzicht en één pensioenuitvoerder, maar is niet in alle situaties gunstig, bijvoorbeeld bij grote verschillen in dekkingen of kosten tussen regelingen.